Hoofdpagina  I  Organisatie  I  Forum  I  Nieuws  I  Agenda  I  Links  I  Entertainment  I  Nieuwsbrief  I  Contact  I  Klachten  I  Inloggen

 


    Photoplace fotografie informatie
 
K  Fotografie informatie index

 Termen in de fotografie

 
In de fotografie zijn veel termen die voor ervaren fotografen de gewoonste zaak van de wereld zijn, maar voor de beginnende fotograaf soms vreemd klinken.
Toch is het belangrijk om deze termen te kennen zodat jouw camera op de juiste manier kan worden ingesteld om de foto te kunnen maken zoals jij het in gedachte had.
Regiseer jouw foto aan de hand van de juiste camera instelling.
.

Belichting   Wat is Watt/Seconden  De resolutie
Licht meten   ISO waarde   Zoom   Exif informatie
Diafragma
 
 
  Diafragma                                                                                                          bron: gathering.tweakers.net
 


Een belangrijke manier om de hoeveelheid licht op je imager te beïnvloeden is middels het diafragma. Het diafragma is de grootte van de opening waardoor het licht valt (denk hierbij aan de iris in je oog, die wordt 's avonds in het donker groter en is overdag vrij klein). Hoe kleiner, hoe minder licht natuurlijk. De grootte van het diafragma geven we aan met een f-getal. Een extreem lichtsterke lens als een Canon EF 50/1.0 kost een vermogen, maar laat wel heel veel licht op je chip/film vallen. 1.0 is in dit geval het diafragma, hoe kleiner dat getal, hoe lichtsterker (dat noemt men ook wel sneller) de lens is.
Je kunt het diafragma nog voor een tweede doel gebruiken: scherptediepte. Hoe kleiner het diafragma (en dus hoe groter het f-getal), hoe groter de scherptediepte bij gelijke focal length. Ook worden (vooral goedkopere) lenzen met kleinere diafragma's scherper. Een lens met een maximaal diafragma van f/3.5 zal op f/8 veel scherpere foto's produceren dan op f/3.5.

Wat betekent f/2.8 nu eigenlijk? Kort gezegd is het een verhouding tussen de maximale brandpuntsafstand van je lens en de diameter van de diafragmaopening. Oftewel: een 50/1.8 objectief heeft een diafragma met een maximale diameter van 50 / 1.8 = 27,7mm. Een 50/1.4 lens heeft een diafragma van 50 / 1.4 = 35,7mm en de al eerder genoemde 50/1.0 heeft zelfs 50mm als diafragma diameter. Zo kun je zelf ook voor andere lenzen het maximale diafragma uitrekenen.

In het kort:
Hoe groter het F getal, hoe kleiner het diafragma.
Hoe kleiner het diafragma, hoe minder licht er op de sensor valt. Hoe minder ligt er op de sensor valt, hoe scherper het totale beeld rond je focus

Hoe kleiner het F getal, hoe groter het diafragma.
Hoe groter het diafragma, hoe meer licht er op de sensor valt. Hoe meer licht er op de sensor valt, hoe onscherper het totale beeld rond je focus.

Bij portretfoto maximale zoom, kleine F waarde, dus groot diafragma, dus meer licht, persoon scherp, omgeving onscherp.
 



 

  Lichtmeten is weten                                                                                                    door Mark Mook

 


Opvallend licht vs. reflecterend licht

Een lichtmeter houd je bij het onderwerp en richt je op de lichtbron. Dat kan een flitser zijn, maar ook een lamp of gewoon de zon. Zo weet je de hoeveelheid licht die op het onderwerp valt. Wat voor onderwerp dat is, welke kleur die heeft, dat maakt niet uit.

Meet je met je camera, dan gaat het om het licht dat het onderwerp reflecteert. Zwart absorbeert, dus zal de gemeten waarde dan anders uitvallen in vergelijking met een wit onderwerp. En dat is lastig, want nu moet je daar weer rekening mee houden en onder- of overbelichten!

Zolang je onderwerp in de buurt staat (wat met modelfotografie toch wel vaak het geval is) werkt een lichtmeter preciezer, sneller en hoef je de camera maar één keer goed in te stellen en je verder geen zorgen meer te maken. Waar je met natuurlijk licht wel op moet letten is dat het licht nogal eens kan veranderen en dan moet je opnieuw meten.

Controle over het contrast
Op elke foto heb je te maken met lichtval en de bijbehorende schaduwen. Het licht wil je niet overbelicht, de schaduwen niet onderbelicht. Met een lichtmeter kun je dit contrast snel meten en kijken of het te overbruggen is.

Meet je op de verlichte plek F22 bij 1/125 / iso100 en op de schaduwplek F2.8, dan kun je er van uit gaan dat de schaduwkant volledig dicht zal lopen als je de camera instelt op F22. Wil je dat niet, dan plaats je een reflectiescherm of invulflits bij en meet je nog een keer. Door het scherm te draaien of de intensiteit van de invulflits bij te stellen bepaal je nu zelf hoe groot je het contrast wilt hebben. En dat zonder testopnames, bijstellen, testopnames, etc.

Efficiënt accuflitsen
Wanneer je shoot op locatie met gebruik van een accuflitser, wil je de accu niet leeg hebben voor de eerste goedbelichte foto is gemaakt. Met een lichtmeter kun je met 2 testflitsen af: je gokt de intensiteit van de flitser en stelt deze af. Één keer flitsen/meten, kijken of het afwijkt, bijstellen, nogmaals meten, klaar. Zolang de opstelling niet veranderd!

Overtuigd? Welke?
Een digitale lichtmeter is aan te raden, deze werken het snelst en zijn makkelijk uit te lezen. Sekonic, Gossen en Kenko zijn de betere merken. Zelf gebruik ik een Sekonic L-358, welke ik van harte kan aanbevelen.
 

 
  Iso waarde                                                                                                                                                             bron: gathering.tweakers.net
 
De ISO waarde geeft de gevoeligheid van de film of je CCD aan. Een veelgebruikte ISO waarde is ISO 100, maar mocht je binnen moeten fotograferen zonder flitser en toch niet te trage sluitertijden willen krijgen
(met de bijbehorende bewegingsonscherpte), zul je toch echt aan hogere ISO waarden moeten gaan denken, bijvoorbeeld ISO 800 of zelfs 1600 in slecht verlichte ruimten. Een en ander hangt uiteraard ook af van de lichtgevoeligheid (snelheid) van je objectief.

In principe wil je de ISO waarde altijd zo laag mogelijk houden. Analoge filmrolletjes op hoge ISO waarden zijn korreliger, wat de hoeveelheid detail in de foto niet ten goede komt. Digitale camera's produceren daarentegen een flinke dosis extra ruis op hoge ISO waarden. Gelukkig krijgen fabrikanten die ruis steeds meer onder controle en worden hoge ISO waarden steeds meer bruikbaar.
 
 
  Digitale of optische zoom                                                                                 bron: gathering.tweakers.net
 
Bij de specificaties van veel camera's staan twee soorten zoom vermeld: optische en digitale. Er is een groot verschil tussen deze twee. Laten we beginnen met optische zoom, een zoomsoort die met lenzen werkt. Door de lenzen in je camera te verschuiven kan het beeld wat op je sensor valt vergroten of verkleinen. Als je verkleint, praat je van uitzoomen, je camera zoomt dan naar de groothoek stand. Dit houdt in dat de beeldhoek groot wordt, dus dat er links en rechts van de denkbeeldige middenlijn door je lens veel op de foto komt. Als je het beeld wil vergroten, bijvoorbeeld als je een model ver weg bij een boom op de foto wil krijgen, verschuift de camera de lenzen zo dat het beeld ook groter wordt. De beeldhoek wordt hierdoor kleiner.

Digitale zoom kun je beter niet gebruiken. Het is een soort schijnzoom. Met de lenzen van je camera gebeurt in feite niks, het enige wat de camera doet is je foto uitvergroten, of beter: croppen.
De camera pakt een klein stukje uit je foto (met midden) en vergroot dat tot wat je op je beeld te zien krijgt. Hierbij gaat een hoop beeldinformatie verloren omdat een groot deel van je sensor niet wordt gebruikt. Je 4 megapixel camera (bijvoorbeeld), kan zo ineens het detail van een 1MP camera of lager overhouden. Bovendien kun je net zo goed later achter het beeldscherm van je computer de beelduitsnijde precies bepalen, dan doe je namelijk exact hetzelfde.
 
 
  Filters                                                                                                                 bron: gathering.tweakers.net
 
Filters zijn kleine glazen schijven die je voorop je lens kunt schroeven. Veel gebruikte filters zijn UV filters en Polarisatie filters, ook wel polarizers genoemd. Ik zal in dit gedeelte even kort het nut van filters uitleggen:

Een UV filter houdt UV straling tegen, dat klinkt logisch. UV straling kan de autofocus van je camera in de war brengen, een effect wat vooral op grote hoogte voorkomt. UV filters zijn er in vele formaten en kwaliteiten, gerespecteerde merken zijn Hama, Kenko, Hoya en B&W waarbij vooral de laatste 2 fabrikanten erg goed zijn. Bespaar niet teveel op je filter, je hebt net een hoop geld uitgegeven aan een digitale camera van een paar honderd euro, een paar tientjes voor een goed filter is dan niets. Vooral niet omdat je met een slecht filter je goede lens goed kunt verpesten.
Omdat UV filters de goedkoopste filters zijn, worden ze ook voor een
ander doel: het beschermen van je lens. Een gemiddeld UV filter kost ergens tussen de 30 en 70 euro, een reparatie aan je lens kost met gemak het 5-voudige hiervan. Een van de eerste dingen die je dus zou moeten doen is een passend UV filter kopen zodat je geen risico hebt op krasjes.

Dan hebben we nog het polarisatiefilter, een filter dat iets ingewikkelder werkt dan het UV filter. Een polarisatiefilter heeft 2 werkingen:
  • Een polarisatiefilter maakt de lucht mooier en voller blauw, in de zomer wordt dat een prachtig contrast tussen de strakblauwe lucht en de witte wolken.
  • Een polarisatiefilter haalt spiegelingen weg van water of niet-metalen objecten. Letwel: metalen objecten en spiegels blijven spiegelen.

Het polarisatiefilter bestaat uit 2 helften die ten opzichte van elkaar kunnen draaien. Door te draaien maak je oppervlakken spiegelender of minder spiegelend.

Voor polarisatiefilters geldt hetzelfde als voor UV filters: bespaar hier niet teveel op. Wederom gaat het verhaal op dat je een goede lens goed kunt verpesten met een slecht filter.

Er zijn overigens 2 soorten polarizers: circulaire en lineaire. Die laatste polarizers zijn aanmerkelijk goedkoper, maar werken niet op alle camera's. In de regel kun je stellen dat circulaire filters op alle camera's werken, maar dat lineaire filters bij spiegelreflex camera's (zowel analoog als digitaal) kunnen storen met het autofocus- en belichtingssysteem. Voor een normale digitale camera kun je dus doorgaans volstaan met een lineair polarisatiefilter, voor een spiegelreflex moet je een circulaire halen.
In tegenstelling tot een UV filter, houdt een polarisatiefilter wel licht tegen. Je foto wordt dus bij gelijke instellingen donkerder, oftewel je hebt een groter diafragma of een langere sluitertijd nodig om correct te belichten
.
 

 
  Wat is Watt/seconden                                                                                                                                         Bron: Cameraland.nl
 
Watt/sec is een voor velen een volslagen vreemd begrip en als we uitleggen dat hiermee het vermogen van de flitser bedoeld wordt zegt dat nog steeds niet heel veel. Om het voor iedereen heel simpel uit te leggen houden we het op water.

Een emmer water wel te verstaan. Dus een flitskop van 100 watt/sec is een emmer water van 10 liter, 200 watt/sec is een emmer water van 20 liter 400 watt/sec is een emmer water van 40 liter

De hoeveelheid water bepaalt hoeveel je nat kan gooien, met 10 liter (100 watt/sec) red je het makkelijk om iemand in het gezicht flink nat te gooien maar als je hem/haar helemaal nat wilt gooien lukt dat al niet meer. De flitskop moet te ver naar achteren en de persoon wordt niet nat genoeg.

Bij 40 liter (400 watt/sec)  heb je zoveel water dat het allemaal heel eenvoudig gaat, één persoon is geen probleem maar ook meerdere personen zijn makkelijk nat te gooien, ook als de flitskop ver naar achteren staat of als er een grote softbox op zit die natuurlijk ook eerst helemaal gevuld moet worden voor er weer wat uit komt. 

Door meerdere flitskoppen te gebruiken wordt het allemaal ook wat makkelijker, je gooit immers van twee kanten en zo is het makkelijk om overal evenveel water te gooien.

Terug naar de werkelijkheid.
Schema voor benodigde hoeveelheid watt/sec

2 koppen 120 w/sec 1 persoon alleen portret
2 koppen 250 watt/sec 3 personen portret of ten voeten uit
2 koppen 400 watt/sec groepen t/m 8 personen of naakt
(vanwege de grote softboxen)
2 koppen 600 watt/sec groepen t/m 25 personen
 

 
  De resolutie
 
De sensor in een digitale camera bestaat uit pixels. Pixels zijn piepkleine, lichtgevoelige blokjes. De sensors in de meeste huidige camera's bestaan uit miljoenen pixels, die elk de helderheid van het licht registreren wanneer er een foto wordt gemaakt. Het aantal pixels in een foto is ongeveer gelijk aan het aantal pixels op de sensor. Dit aantal wordt de resolutie van de foto genoemd.

Eenvoudig gezegd, hoe groter het aantal pixels in een foto, des te groter de resolutie. En hoe hoger de resolutie van de foto, des te beter en groter de afdruk die u kunt maken met een Windows XP-computer en een printer. Of met andere woorden, de resolutie beïnvloedt de uitvoeropties van de foto. Het is belangrijk dit te onthouden wanneer u de resolutiemogelijkheden van de camera onderzoekt.

De resolutie beïnvloedt de uitvoer
De resolutie-instelling kan op de meeste digitale camera's zodanig worden gewijzigd dat er meer of minder foto's op de geheugenkaart kunnen worden gezet. Deze functie is handig als u slechts één geheugenkaart hebt of als u op reis bent en geen foto's naar de computer kunt overbrengen.

Als u echter een foto maakt van een spectaculaire zonsondergang en deze vastlegt met een lage resolutie-instelling, bijvoorbeeld 800x600, bent u mogelijk ontevreden met het resultaat als u deze foto wilt afdrukken met een grootte van 13x18 of 20x25. Details ontbreken namelijk in een foto met een lage resolutie en de foto kan er ook gekarteld uitzien. Een betere oplossing is extra geheugenkaarten mee te nemen en de hoogste resolutie op de camera in te stellen.

De opties voor afdrukken en delen van foto's nemen toe naarmate de resolutie van de foto hoger is. Daarom hebt u de beste kans van slagen als u foto's maakt met de hoogste resolutie die door de camera kan worden vastgelegd. U kunt de resolutie gemakkelijk verminderen op de computer. In Windows XP doet u dit met een klik als u bijvoorbeeld foto's in een e-mailbericht verzendt. Er bestaat echter een grens aan de mate waarin de computer de resolutie van een foto kan verhogen. Dit betekent bijvoorbeeld dat u altijd een scherpe, heldere afdruk van een foto met een hoge resolutie kunt maken, maar geen grote, gedetailleerde afdruk van een foto met een lage resolutie.


Een bestandsindeling kiezen
Als u een foto maakt, verwerkt de camera de foto op basis van de witbalans en andere instellingen. Als laatste stap slaat de camera de foto op in de door u geselecteerde bestandsindeling voordat de foto naar de geheugenkaart wordt overgebracht. De bestandsindeling die u hebt geselecteerd, kan invloed hebben op de scherpte van de foto. Een aantal digitale camera's bieden zowel TIFF- als JPEG-instellingen.

 
  • TIFF: deze bestandsindeling is niet-gecomprimeerd. De bestandsindeling TIFF garandeert dat alle fotokwaliteit wordt vastgelegd en verwerkt door de camera. TIFF-bestanden kunnen echter vrij groot zijn, met als gevolg dat er slechts enkele bestanden op de geheugenkaart passen. Het kopiëren van TIFF-bestanden naar de geheugenkaart kan ook langere tijd in beslag nemen, waardoor het enkele seconden kan duren voordat u opnieuw een foto kunt maken.
  • JPEG: deze bestandsindeling is gecomprimeerd, hetgeen betekent dat de fotogegevens kleiner worden gemaakt voordat de foto op de geheugenkaart wordt opgeslagen. Hoewel de resolutie van de foto door compressie niet wordt gewijzigd, gaat er echter wel iets verloren aan detail en helderheid. Gewoonlijk beschikt een camera over meerdere JPEG-instellingen, die elk meer compressie bieden (waardoor u meer foto's op de geheugenkaart kunt opslaan), met een evenredige vermindering van de kwaliteit van de foto.


De door u gekozen bestandsindeling heeft geen invloed op de resolutie van de foto, maar als u een JPEG-instelling kiest die de foto sterk comprimeert, kan het detail in de foto onherstelbaar worden beschadigd. Dit soort beschadiging wordt JPEG-artefacten genoemd en wordt vaak weergegeven als een patroon van grote, vierkante blokken verspreid over de foto. De JPEG-artefacten beperken de mogelijkheid tot het maken van een grote afdruk van de foto, hoewel de resolutie van de foto door JPEG-compressie niet wordt gewijzigd.


Als uw camera beschikt over de TIFF-instelling, lijkt dit de aangewezen methode om het beste uit uw digitale camera te halen. Hoewel dit waar is, is dit niet het hele verhaal. Het maken van foto's met de TIFF-bestandsindeling (in plaats van JPEG) betekent dat u een groot aantal geheugenkaarten, een snellere geheugenkaartlezer (als u de TIFF-bestandsindeling gebruikt, heeft het geen zin om de camera direct met de computer te verbinden), een grotere vaste schijf voor het opslaan van grote bestanden en meer lege cd's nodig hebt, omdat TIFF-bestanden meer ruimte innemen dan JPEG-bestanden. TIFF-bestanden kunnen al snel onhandig zijn.

Gelukkig biedt de JPEG-instelling met de hoogste kwaliteit en de laagste compressie slechts een fractie minder kwaliteit dan TIFF en geeft niet de problemen die met grote fotobestanden gepaard gaan. Fotografen merken zelden het verschil op tussen een foto in de JPEG-indeling met de hoogste kwaliteit of een foto in de TIFF-indeling, ook al is het JPEG-bestand zes tot acht keer kleiner wanneer het op de geheugenkaart is opgeslagen. JPEG-instellingen met een lagere kwaliteit hebben echter aanzienlijk minder detail en helderheid.

Stel de camera in op de hoogste resolutie en de JPEG-instellingen met de beste kwaliteit. Op deze manier worden de resolutie en helderheid van uw foto's gemaximaliseerd en maakt u optimaal gebruik van uw camera.

 

 
  Belichting
 


De belichting is het belangrijkste concept uit de fotografie, maar tevens een concept dat voor veel mensen een mysterie blijft. Het is echter wel de moeite waard dit mysterie op te lossen, omdat het onder controle krijgen van de belichting de eerste stap is naar betere foto's.

In de wereld van de fotografie heeft het woord belichting verschillende betekenissen, maar wij houden het bij de eenvoudigste. De belichting is de hoeveelheid licht die de camerasensor bereikt. Hierdoor wordt de helderheid van de foto bepaald. Als de sensor te veel licht ontvangt, zijn de foto's overbelicht en bij te weinig licht zijn de foto's donker of onderbelicht. U moet de belichting voor de camera regelen omdat felverlichte onderwerpen meer licht in de lens reflecteren dan zwakverlichte onderwerpen. (Om dezelfde reden verandert de iris van het oog van grootte om de lichtinval te reguleren.)

De ingebouwde lichtmeter van een digitale camera, met alle bijbehorende mysterieuze algoritmen, is uitsluitend bedoeld voor het berekenen van de juiste belichting. Het gaat hierbij om een belichting die een zo getrouw mogelijk weergave van de echte kleuren en tinten van het onderwerp genereert. Het regelen van de belichting is een cruciale stap in digitale fotografie. U kunt een beeldeditor als Photoshop gebruiken om een belichting te corrigeren die niet helemaal juist was, maar het resultaat blijft slecht als u een foto probeert te corrigeren waarvan de belichting al slecht was.

ISO, opening en sluitersnelheid
Als we het gebruik van de flitser even buiten beschouwing laten, kunt u de belichting regelen met drie camera-instellingen. De eerste is de lichtgevoeligheid van de camerasensor, uitgedrukt in de ISO-instelling. In sommige digitale alles-in-een-camera's heeft de ISO-instelling een vaste waarde (meestal 100), maar in veel andere camera's kunt u deze instelling aanpassen. Hogere ISO-waarden staan voor een grotere lichtgevoeligheid.

Met andere woorden, er is minder licht vereist om dezelfde helderheid te genereren op de uiteindelijke foto. De mogelijkheid om de ISO-waarden van foto tot foto aan te passen is een van de grote voordelen van digitale fotografie, maar zoals u zult begrijpen, is dit niet eenvoudig: in de regel neemt de kwaliteit van de foto (soms aanzienlijk) af naarmate u de ISO-waarde van de camera verhoogt.

De tweede factor die van invloed is op de belichting, is de lensopening of de f-stop. (Opening en f-stop zijn eigenlijk geen synoniemen, maar de meeste fotografen praten er wel zo over.) U moet de f-stop zien als de grootte van de opening in de lens waardoor het licht de camera binnenkomt. In de meeste camera's kunt u deze aanpassen (handmatig, met de belichtingscomputer van de camera of een combinatie van deze twee opties).

Waarschijnlijk hebt u wel eens f-stopnummers gezien (f/2,8, f/4, f/8, enzovoort). Kleinere nummers staan voor grotere openingen. Met f/4 laat u dus meer licht door dan met f/8 en genereert u een foto met een grotere helderheid. (Als u dit een onlogisch systeem vindt, moet u bedenken dat f-stops in feite breuken zijn (f/4 staat voor een vierde en f8 staat voor een achtste.)

Sluitersnelheid
De sluitersnelheid is de derde factor. De sluitersnelheid staat voor de duur dat licht wordt toegelaten op de sensor. In de algemene fotografie zijn standaardsluitersnelheden fracties van een seconde (1/125e bijvoorbeeld) en natuurlijk levert een langere duur een belichting met een grotere helderheid op, en omgekeerd.

Of u nu zelf de belichtingsopties instelt of u dit de camera automatisch laat doen, deze drie waarden (ISO, opening en sluitersnelheid) bepalen samen de belichting van elke foto die u neemt. Omwille van de eenvoud laten we de ISO-instelling even buiten beschouwing en kijken we naar de interactie tussen opening en sluitersnelheid.

Voor elke hoeveelheid licht die uw onderwerp reflecteert, levert slechts één combinatie van opening en sluitersnelheid de technisch optimale belichting op. Stel dat die combinatie f/8 bij 1/125e seconde is voor een bepaalde foto in de buitenlucht. Als u in dit geval de opening groter maakt (f/5,6 bijvoorbeeld) zonder de sluitersnelheid te wijzigen, komt er meer licht terecht op de sensor en wordt de foto overbelicht.

Het is echter wel mogelijk de opening groter te maken zonder overbelichting. Hoe dan? Door ook de sluitersnelheid te wijzigen (in dit geval naar bijvoorbeeld 1/500e) zodat de duur wordt beperkt dat de sensor wordt belicht. Met andere woorden, de combinatie van f/8 bij 1/250e seconde levert dezelfde belichting op als de combinatie f/5,6 bij 1/500e seconde (of f4 bij 1/1000e seconde, enzovoort). Deze relatie tussen opening en sluitersnelheid is de formule waar alles om draait in de fotografie.

Omdat de numerieke notaties verschillen, kunt u opening, sluitersnelheid en ISO-instellingen het beste zien als belichtingswaarden (EV, Exposure Values). Als u de opening wijzigt van f8 in f5,6, hebt u de lens verder geopend (en de foto helderder gemaakt) met één EV. Een sluitersnelheid van 1/500e is één EV korter (en donkerder) dan 1/250e. ISO 200 is één EV gevoeliger dan ISO 100.

De functie voor belichtingscompensatie van de camera wordt ook aangegeven in EV-eenheden. Als u deze instelt op +1 EV, bereikt u hetzelfde effect als wanneer u de lens één f-stop verder opent. (Professionele fotografen noemen belichtingswaarden vaak 'stops' (van de term 'f-stop'), zelfs wanneer ze het niet over de opening van de lens hebben.)

F-stops
Waarom moeten we ons druk maken om f-stops en sluitersnelheden als de meeste camera's hier automatische instellingen voor hebben? Bijvoorbeeld omdat de camera soms een onjuiste belichting instelt. Dat is de reden waarom de functie voor belichtingscompensatie bestaat en waarom u meer moet weten over belichting, zelfs als u de belichtingsopties niet handmatig kunt instellen op uw camera.

Wat minstens even belangrijk is, is dat f8 bij 1/250e wel dezelfde belichting oplevert als f5,6 bij 1/500e, maar niet dezelfde foto. Dit komt doordat de instellingen voor de opening en de sluitersnelheid ook van invloed zijn op andere belangrijke eigenschappen van foto's: de opening heeft een grote invloed op de velddiepte (het focusbereik van dichtbij tot ver weg op een foto) en de sluitersnelheid bepaalt of beweging vaag of scherp wordt vastgelegd.

Kortom, als u de opening en de sluitersnelheid begrijpt en onder controle hebt, beschikt u over twee krachtige, creatieve hulpmiddelen.
 

 
  EXIF gegevens                                                                                                   bron: gathering.tweakers.net
 
Exif staat voor Exchangeable Image File Format. Het is een standaard om informatie (bv. camera-instellingen waarmee de foto is gemaakt) over de afbeelding op te slaan in het afbeeldingsbestand.

Het mooie hiervan is dat je niet de instellingen hoeft op te schrijven of te onthouden. Daardoor kun je achteraf mooi zien waarom een foto (waarschijnlijk) gelukt of mislukt is. Hiervan kun je leren.

Ook gebruiken de betere online-afdrukservice de exifdata om een foto, gemaakt met een bepaalde camera, aangepast af te drukken. Sommige camera's hebben bv. een blauwe waas, sommige afdrukcentra's zullen het blauwgehalte dan ook wat verminderen voordat zij deze afdrukken.
(NB. dit kan ook tegen je werken. Stel nou dat je zelf al de kleuren had aangepast voordat je de foto opstuurde, dan zal de EXIF-data nog steeds behouden worden. De afdrukcentra zal de kleuren dus nog een keer aanpassen. Vraag dus voor de zekerheid hoe een afdrukservice te werk gaan)

Bijna elke digitale camera gebruikt tegenwoordig de Exif standaard. Maar nu de vraag, hoe lees ik de informatie eruit ?

Nou, dat is heel eenvoudig. Er is een plugin voor Internet Explorer, en een gratis programma, genaamd Photo Studio. De Internet Explorer plugin kun je hier vinden. Het programma genaamd Photo Studio is hier te vinden.
Voor meer informatie over Exif kun je hier terecht.

Bijna elke imageprogramma, of het nou een editor is of een viewer kan tegenwoordig ook EXIF-data uitlezen. Kijk dus even uit naar de nieuwste versies.

Ook windows XP of je favoriete Linux-filemanager kunnen EXIF data standaard uitlezen. Kijk gewoon even in de properties.

Daarnaast heb je ook veel gallery-programma's die automatisch de exifdata uitlezen en dit als commentaar bij een foto zetten.
Gallery is hier een voorbeeld van. Je hebt wel de jhead-plugin voor nodig.